VOULOIR
C' EST POUVOIR

MILI
SCHRIJFT

Minnarij
Op maandagochtend pleegde hij overspel nadat hij het terrein had voorbereid.
Spades richtten zich op en de ladder van de perenboom werd overeind gezet.
Zij wachtte op hem achter gesloten gordijnen. De week van ontbering maakten zijn werkmanshanden begerig en zij nam niet meer de moeite panty’s aan te doen. Zij was als een pompoen die op scheuren stond en hij verloor zich in haar vruchtvlees.
Na afloop verdween haar geur in het afvoerputje; haar goddelijke smaak nam hij mee in zijn mond.
Op een maandagmiddag vroeg zijn vrouw waarom hij knopen miste. Spades verroestten, de ladder viel om.

Minnarij II
De zijden gordijnen werden een keer per week dichtgeschoven; het diffuse licht verzachtte de littekens die zij droeg. Zijn hongerige vingers leidden hun samenspel in dat haken en ogen kende. Verstrikt in haar beugelbeha legde hij zijn horloge af.
Samen in de twijfelaar hortte zijn adem en wiste zij het zweet van zijn voorhoofd af.
Onstuimig verkende hij haar keer op keer.
Hun handen zochten elkaar en sloten hermetisch de tijd van een moment. Dan was het tijd om te gaan. Het horloge werd omgedaan, de parkeertijd was verstreken, de lust was vergaan. Uitgelopen mascara was dat restte.

Zout op mijn huid
Hij stond in Scheveningen, mijn zwijgzame vissersman.
‘Ga met me mee,’ had ik gezegd, zijn zilte geur was mij voldoende. Aangekomen kleedde hij zich uit.
‘Leg je neer, wil je?’ Ik kookte eitjes en vulde zijn navel. Zout gleed langs zijn verweerde huid en in zijn schaamstreek vormden zich kristallen.
‘Niet gulzig zijn,’ fluisterde ik en doopte eitjes die ik naar zijn mond bracht. Dan strekte ik me verlangend naast hem uit.
Stofdeeltjes dwarrelden in diffuus licht en mijn voeten verkenden de zijne; tenen speelden, roetsjten. Handen hongerden en vingers verschoven.
Een aanzwellend geluid weerklonk waarover de gordijnen fluisterden.

Een afgebroken verhaal
De ontmoeting was digitaal en brekend; zij besloten een erotische thriller te schrijven. Voorwaarde was geen schuttingtaal te gebruiken. Hijgend schreven ze elkaar decent los.
Opgezweept door zoveel puurheid wilden zij elkaar zien. Hij wilde dat ze een lange jurk droeg en jarretels. Zij wilde dat hij in rokkostuum zou verschijnen en maakteeen ongeremde cocktail klaar.
In een karaf deed zij gember en stukjes chocola, voegde er roze peper, koriander en vanille aan toe om het met rum bij te vullen.
Hij kwam en zij overzag. De man met wie ze had geschreven bleek een vuilspuiter te zijn.



Het huis
Na jaren stond ik stil voor het huis waar mijn passiebloem nog de gevel sierde en dacht aan de overdrachtsakte die ik met een poppetje uitmonsterde. Hij was alleen naar de notaris gegaan.
De vrouw die het huis kocht stuurde mij een brief waarin zij bedankte voor de liefde die zij zag. De poppetjes op de muren, de wiegende planten in de achtertuin, een vergeten gieter.
Ik vroeg mij af of zij het kraken van de treden kende, een pluk haar in de afvoer vond.
Haar brief kwam binnen in een ander huis en toen pas kon ik huilen.


De buurman
Mees, een sleuteljongen, was gefascineerd door het kwijldraadje dat in de mondhoek van de buurman hing die thee zette als hij uit school kwam en er likkaakjes bij gaf.
Op een dag had hij pompoensoep gemaakt met balletjes en verteld over Halloween.
‘Maar ik heb geen verkleedpak,’ riep Mees.
‘Ik zal er een voor je naaien.’
Op Halloween kwam Mees zijn pak halen.
‘Het is roze, ik ben toch geen meisje.’
‘Lief jongetje, ik maak een peerdrups van je. Daar kan je op zuigen.’
‘En er zitten gaten in, kijk nou, een hier van voren, en een van achteren.’

Smoor
Sjaan straalde voor mijn raam in een verrukkelijke jas en kekke laarzen, haar opgeknipte haar in een volgende tint.
‘Wat is er gebeurd?’
‘Fak, ik ben zo verliefd!’
Zij liet foto’s van een buitensporig goddelijk lijf zien, blauwgroene ogen, donkere krullen en een rij sneeuwwitte tanden.
‘Fak, hij is tien jaar jonger dan ik. Luister.’
Ingesproken berichten ketsten hijgerig over tafel. Sjaan gleed van haar stoel af.
Geboeid keek ik naar haar onderarmen waar zwarte slangen over kropen. Naar haar hals waar onder krimpfolie een nieuwe bloedrode tattoo zich openbaarde.
‘Hij kent je!’
Onrust maakte zich van mij meester.

Heet, heter, heetst
Ik was op een hete receptie vanavond. Een man, minstens twintig jaar ouder dan ik, legde in de drukte zijn hand op mijn welvingen. Als hij sprak spuugde hij. Als hij dronk kwijlde hij. Hij was quasi geïnteresseerd in mijn verdere zijn.
Dan sprak ik met een vrouw. Haar gebit was een kerkhof. Zij was ongetrouwd gebleven en begreep de tegenwoordige hype niet van groezelige grootouders voor kleinkinderen. Ik verplaatste mij naar een kunstenaar die bedelde om mijn sigaretten. Sprak met een scheikundedocent die een groenachtige pantalon droeg. Ook wij kwamen niet nader.
Op mijn pumps ging ik huiswaarts.


Beestachtig
Zou ik naar urine ruiken, vraagt zij zich af? Zij zit aan tafel met een man die bij het minste of geringste zijn krullen schudt en haar op flemerige toon vertelt hoe bijzonder zij wel is. Zou hij een leeuw zijn, aangetrokken door een krols wijfje dat overloopt van feromonen?
Onbehaaglijk kijkt zij naar zijn behaarde handen terwijl hij wildpaté als entree neemt, gevolgd door spareribs à volonté. Zelf is zij van het vegetarische genre.
Een vettige hand grijpt de hare terwijl hij kreunt tussen zijn vlezige tanden. Kalm staat zij op en stort haar pompoensoep over zijn haren.


Een fris verhaaltje
‘Waarom smaakt de kippensoep zoet!’ schreeuwt hij.
‘Ach, dat ligt aan jou, drink nu op, je lijdt aan uitdrogingsverschijnselen.’
‘Krijg de kolere, ik moet ervan zweten. En waarom lig ik hier zo te schokken en te krampen?’
‘Lieverd, het zijn de stuipen. Het gaat niet goed met je. Ik heb veel met je te stellen.
En die was, je laat een spoor van bloed achter in je onderbroeken.’
‘Ben aan de racekak, kan ik het helpen!’
Zij gaat op de rand van zijn bed zitten en zegt: ‘Je bent vergeven.’
Sinds een week kneedt zij rattengif door zijn matzeballen.

De Chinese Wezel
Ik durf ‘m niet aan te doen, hij ruikt naar haar en hangt aan de kapstok, niet te verschuilen achter de mijne, eigenlijk drukt haar mantel die van mij opzij.
Zou zij waar zij te ruste is gelegd de prachtige rol nog hebben die zij op haar achterhoofd droeg? Zou je nog de lippenstift zien die ik haar liefdevol opdeed? Het is al drie jaar later.
Ik vraag me af of ik verf over me heen krijg als ik met de mantel van mijn moeder de straat opga. Ik kan hem laten vermaken. Een bodywarmer wellicht, met stukke bont.

En God zag dat het goed was
De gore moord vond plaats in de Gieterijstraat. Urine had haar rokken bespat, zaad had zich rond haar mond verkorst. De veldwachter kwam en sloot de plaats delict af voor boeren, burgers en oprukkende buitenlui.
De deerne was geboren uit de aartsabt; de gesel Gods die de dijen van zijn zusters beheerde. Jarenlang danste zij door de kloostergangen over de knakkende knoken van haar broertjes en zusjes alvorens tot wasdom te komen.
Wie had haar welgevormde mond niet gekend? De veldwachter besloot alle mannen vanaf dertien jaar te laten komen. In haar rechterhand had zij een eikelvormige broekknoop vastgehad.


Kus mij los
Op internet had zij gezocht naar geurloze alcohol en wodka gekocht. De fles stond achter de brandspiritus waarvan de dop was weggeraakt. Het niet-geruisloze deurtje liet zij kierend openstaan.
Bij thuiskomst had hij haar mond opengebroken en geroken. Vervolgens eiste hij eclairs. Het kopje trilde in haar hand toen de eerste scheut zich mengde met lauwe thee. Met een scherp mesje schraapte zij het vanillemerg uit, denkend aan zijn vette
rug. Suiker knerpte onder haar voeten terwijl zij de in bloem losgeroerde eidooiers in de pan hete melk deed. De vanillebanketbakkersroom moest nog opstijven.
Kus mij los, dacht zij.


Je t'aime ... moi non plus ...
Het was heerlijk warm in de houthakkershut. Sinaasappels spetterden in de open haard, glazen kinkelden. Uren vergleden waarin hij begerig dronk en langdradig verhaalde waarna hij in zijn houthakkersbed kwakte.
Met haar scharlakenrode lippenstift schreef zij Adieu op de wand en nam zijn autosleutels. Het sneeuwde licht. Dromerig keek zij naar de vlokken die het zicht op plaatsnaamborden benamen. Zij raakte zichzelf en de weg kwijt in de eindeloze campagne. De kou werd bitter en de ochtend gloorde.
In een greppel vonden ze haar. De gendarmerie vroeg zich af of zij Je t’aime … moi non plus … neuriede.

Mijn muze
In het rood verpakt reisde zij meer dan negenduizend kilometer om bij mij te zijn.
Er was vrees geweest dat zij zou stikken. Of dat haar hoofdje los zou laten.
Uit haar lemen leegte haal ik dottig krantenpapier, de kop van een artikel. Tussen haar benen was een ‘conductor’ uit Iztapalapa meegereisd die een schot in zijn ‘cabeza’ kreeg. Op de achterkant, in een poel bloed, lagen ‘cadáveres de dos sujetos’.
Sindsdien bekijk ik haar vertwijfeld. Zij draagt een prachtige tooi en dito oorringen.
Alleen haar ogen. Die glinsteren van natheid en haar mond staat in een schreeuw open.

De doodgraver
Gepokt, gemazeld en bestoppeld dolf hij zijn zoveelste graf. Hij was kenner van familiegraven; het aantal lagen en de tussenliggende jaren grafrust wist hij uit zijn
hoofd. Zijn rug was gaandeweg gaan krommen alsof de aarde hem zachtjes wenkte.
Verzengende tranen had hij zien vallen die zijn gemoed beroerden.
Nu had de pastoor hem laten weten dat zijn tijd erop zat. Doof geworden door het gebeier van de klokken had hij hem eerst niet begrepen. Voor een laatste keer hanteerde hij zijn spade. Verbeten vlogen de klonten in het rond. De kist geplaatst was het graf te smal gegraven.


Van oudsher
Tegen noen trok de boer zijn klompen uit de zomp zoals zijn vader en grootvader deden. Dan trok hij steevast aan zijn werkbroek; het water liep hem uit den bek. Hij ging op huis aan.
Op tafel zou hij hompen brood vinden, besmeerd met reuzel en lonken naar de schonken van Maria.
De meid van de buren die hij trouwde was welwillig. Tegen de aanrecht, tussen de koffiemokken en na de reuzel, liet zij zich iedere dag na noen weer eens nemen. Zoals haar moeder en grootmoeder deden.
Zij was er niet. Hij raasde: ‘Kom van het kabinet af!’


Ode aan de man
Vandaag floot een bouwvakker naar me. Ik was verrukt en spreidde van pret mijn benen – altijd in opengewerkte zwarte fantasiekousen – hoog in de lucht om mijn pedalen in de bocht terug te vinden. Ik wierp hem een handkus toe. Een paar straten verder riep een Hagenees: ‘Waar heb jij al die tijd gezeten?’ Ik tuitte mijn lippen en kuste hem wellustig uit de verte.
De orthopeed naar wie ik toe fietste bezag mijn jubelteentje en zei: ‘Ik probeer ‘m wel in het gareel te krijgen’ en legde een belovende hand op mijn bovenbeen.
Mijn heerlijke mannen zijn met velen. 

Twaalf uur later
Met gruwel betrad ze haar badkamer, bezag de wasbak waarin zij spoog, het toilet waarop zij diep gebogen zat, snakkend naar adem, de grijswitte tegels die afstaken tegen haar fluorescerende rood gespannen huid. Zij brachten even verkoeling eenmaal in volle lengte er tegenaan gevallen. De telefoon waarmee ze 112 belde glansde zwart op in de weer gevallen duisternis. ‘Geen zuurstof,’ was het enige dat zij hortend uitbracht.
Ze trok de voordeur wijd open, deed blootsvoets wankele stappen naar het bankje buiten in een zwart nachtniemendalletje en klauwde er een kwartier op rond tot twee ambulancebroeders haar benevelden.

Mijn alter ego is een negerT geworden
Hij sprak zacht, zei dat ze het perfect deed, terwijl hij zijn spuiten liet binnendringen. Zijn operatiehemd was lichtblauw en zijn ogen, bezaaid met zwarte wimpers, een tint donkerder. De haartjes op zijn arm bewogen op haar gillende ademstoten.
Drie dagen later zat hij thuis naast haar. Vatte haar oedeemhoofd in zijn handen, kapselde haar in. Haar zwartgeblakerde torso wilde hij niet inzien.
Nu sterft zij duizendeneen doden, pakt even vaak haar spiegeltje, voelt zich een ‘elephant woman’ en verslijt haar tijd achter de ramen.
Hij wil haar zwarte foto’s en filmpjes zien, het liefst elke twee uur.


Escapades des schrijfster
Wijd was de deur naar de tuin opengewaaid. Slagregens spatten op de waaltjes zoals op mijn blote voeten. Het was nog donker.
Ik huiverde in mijn niemendalletje, strekte me uit, op één been, naar de deurgreep en hield me rechts aan de sponning vast.
Een rukwind raasde tegen de deur die onstuimig op me afkwam. De zenuwuiteinden in de top van mijn duim gilden gevolgd door gesnerp dat uit mijn keel kwam.
Mijn kostelijke duim, waarmee ik de spatiebalk beroerde, werd lijkwit waarna kloppend bloed zich voortstuwde en mijn nagelbed vulde.
Mijn bureau is bezaaid met Paracetamol en stootkussentjes.


Boetedoening
Twee vreemdelingen sloegen elkaar op de bek. Hun bloed vloeide, zo ook lieten zij het bloed van het bewakingspersoneel van de opvang vloeien.
‘Meneer, er is een maatregel tegen u genomen, u dient de opvang een maand te verlaten. Zonder zakgeld, zonder ziektekostenverzekering. De andere betrokken meneer staat al op straat.’
‘Ik ga niet, over tien dagen worden de hechtingen eruit gehaald.’
‘Er wordt een afspraak bij een arts voor u geregeld.’
‘Ik ga niet, op straat gaat mijn wond etteren.’
‘We begeleiden u naar de uitgang en dank u, meneer, voor het nette en rustige gesprek.’

God zegen de greep
Op het prikbord hing haar kaartje; ze was in voor schoonmaakwerkzaamheden. Haar stem klonk beschaafd toen ik haar belde. Geen type van: ‘Laup niet te zehkuh.’
Ze kwam zich voorstellen, haar haren vet met rouwrandjes onder de nagels. Desperaat zei ik dat ze kon komen, ik moest nu eenmaal schrijven en mij telefonisch met criminelen onderhouden.
De eerste keer dat ze kwam werken opende ik de deur met de vraag: ‘En, heb je er zin in?’
‘Nee,’ zei ze, ‘niet echt’ waarna zij buiten de ramen ging wassen.
Vanachter mijn bureau liet zij haar buik zien, haar T-shirt verschoof.



Zonder titel
Eindelijk was ik vrij en gaf een feest. En masse kochten mijn gasten orchideeën bij de buurtbloemist.
Zwaar geurden de grafbloemen op mijn binnenplaats en binnenshuis in van buren geleende potten, emmers en vazen.
De volgende ochtend zat ik buiten waar ik naar de schutting keek die ik net voor het feest van kanariegeel naar gebroken wit had geschilderd.
Er knapte iets in mijn hoofd. Ik ging binnen zitten en keek naar buiten. Er vlogen dingen voorbij waarvan ik de naam niet meer wist. Vervolgens dweilde ik weken over de vloer om mijn bevochten vrijheid te verwerken.


Diversiteit en inclusiviteit
Kwakken couscous kwamen naar beneden vanuit het geopende raam op de eerste verdieping terwijl ik schreef achter mijn raam. Ik hoorde ze spletsen op mijn drogende wasgoed, de tafel, de stoelen en de grond.
Door mijn raam roken de kwakken naar piment en zij waren verschillend gekleurd.
‘Siham,’ riep ik buiten naar boven tegen mijn gewoonte in.
Zij posteerde zich achter het open raam en maakte theatrale handgebaren.
‘Het spijt me,’ zei ze, ‘het zijn de kinderen van mijn neven die het deden. Was het stil toen we in Marokko op vakantie waren? We hebben muizenvallen voor je meegenomen.’


Congolees leed
Mijn vingers dansen niet meer over de toetsen, willoos liggen ze te garen in de hitte, niet meer aangestuurd door mijn oververhitte geest en bezwangerde ziel.
Mijn beroerde, hooghartige, wrede, innemende, valse, groothartige, wiekende, beluste en bevallende personages heb ik weggestuurd. Zij wonen niet meer bij me, liggen niet meer in mijn bed en eten niet meer uit mijn kommetjes. Ik ben alleen.
Binnenkort krijgen ze een ander onderkomen, een boek om in te wonen. Nu liggen ze nog hutje mutje. Ik weet wie er nu slaat, wie er nu huilt, wie er nu vloekt, wie er nu baart. 

Pure liefde
Haar man hield haar bij de hand, op haar hoofd droeg zij een clochehoed.
‘U lijkt op een Parisienne,’ zei ik toen zij bevend aan de tafel naast mij zat. Vanonder het nauwsluitende dopje wierp ze mij een kwajongensachtige blik toe.
‘De roos die ik erop zette, vond ik op straat.’
Zij liet zijn dooraderde hand los om met haar vingers op tafel te tikken.
‘Een sigaret, nú.’ Ze keek haar man niet aan.
‘Beloof je me niet weg te lopen als ik even het café binnenloop?’
Als de wiedeweerga was de sigaret op. Zij stond op en vertrok.

De beslissende risotto-affaire
Hun samenzijn was nog pril en aftastend hoewel vlammend.
Voor het eerst at hij bij haar aan de keukentafel en zag haar risotto maken. Hij voelde zich ongemakkelijk en vroeg zich af waarom zij voor een gerecht had gekozen dat bekwaamheid vereiste.
De presentatie van een te vol bord brak al op en na een eerste hap werd hij radeloos. Hij speelde wat met de sompige korrels op het bedje van babyspinazie, zei dat het te heet was om te eten en vergreep zich aan de koude Tiramisu uit een supermarktschap.
‘Weet je dat mijn moeder goed kookt?’


Brandende aarde
Wij toostten op haar verjaardag
met wegwerpflûtes
strooiden bloemen en
lazen ‘Weggaan’ van Kopland voor

Mijn huid verbrandde terwijl de hare
zich vermengde
met triefel in de aarde

Wij namen geen afscheid
lieten de flûtes op het marmer staan
klapten de stoeltjes in
namen haar mee in lege flessen


Eine kleine witzige Geschichte
De cabaretier en zijn prostitué lopen door Enschede. Hij ziet er wat gay uit en zij heeft acne.
‘Ik wil aardappelpuree en paté als diner,’ zegt de prostitué, ‘dat geeft me geen diarree.’
‘Maar ik zoek de zee, allez.’
‘Die vind je hier niet in Enschede.’
‘Toch heb ik heimwee naar de zee en er spijt van dat ik met je vree. Je snee is als een uitgehangen collier.’
‘You made my day. Tieft dan op uit mijn bedstee.’
Zij trekt haar pepperspray.
Een pygmee stopt in een Amerikaanse slee.
‘Tabé,’ roept ze naar de cabaretier

Geen titel
Je buik welfde, legde zich in plooien
nadat je vlooide, en hetzelfde
delfde, schooiend in mijn fooien

Over je afgeragde lippen
geen schreeuw ‘ik heb je lief’
slechts zaad liet jij ontglippen
Slippend ben ik van je heengegaan
opgestaan en vreemdgegaan


Zuslief
Mijn mobiel spoog grauwende teksten, mijn computer boog eronderdoor. Het was in die nadagen dat mijn moeders ogen doffer werden en ik een verrot kind was.
Volgens mijn zus, de afzendster.

Ik matte moeder af, had nog nooit gedeugd, reden waarom zij vroegtijdig mijn haar uit mijn hoofd had losgerukt.

Ik vermeed spiegels omdat ik mijn zus zag en vroeg: 'Lijk ik op haar?' De laatste keer dat ik naar haar toeliep, was in de kerk. Zij wendde zich af, wij keken naar dezelfde baar.

Nu stuurt zij geen berichten meer. En ik overpeins: Mis ik haar?


Tableau mort
Een haarspeld van zesenhalve centimeter, een gedeukte kastanje, een munt van twintig eurocent en een opengescheurde wikkel. Zij vielen uit een zwarte tas die ik vijf jaar niet had opgepakt.

Geen zilverachtige, blonde haar die zich vasthaakt aan het speldje, het muntje dat zij niet uitgaf, de kastanje tegen reuma die niet hielp omdat zij niet die ziekte kreeg. Het snoepje in de wikkel is verteerd zoals zij is verweerd.

Ik raak verschrikkelijk verdrietig en kan mijn ogen niet van haar leven afhouden dat zich aan mij ontvouwt en neem een besluit. Haar Chinese wezel laat ik niet vermaken.