VOULOIR
C' EST POUVOIR

MILI
SCHRIJFT

Leven!

Zij legde zwaar bestek neer, een servet en serveerde pasteitjes met zwavelkopzwammen op stijlvolle borden. In een hoog glas schonk zij een stuivende Cava Brut in en dacht eraan hem te vermoorden mocht hij zijn pink omhoogsteken.

‘Ooit brak ik mijn buitenste vinger,’ zei hij alsof hij haar gedachten raadde, stond op en ontdeed haar van één rode pump. ‘Leg je kruisvoet tussen mijn benen.’

Stil bogen zij zich over de ragout, hij at en dronk voorbeeldig, veegde zelfs zijn goddelijke mond af.

Na zijn vertrek hing de handdoek anders dan anders en was de douchekop andersom gelegd.

Leven! (3)

Met narrige halen penseelt zij haar nagels van een liturgisch paars; al weken heeft zij niet van hem gehoord.

Haar hals riekt naar exotische oliën en haar sjaaltje naar een twijfelachtige eau-de-toilette.

Er wordt op het raam gebonsd, haar deurbel is nu eenmaal sinds decennia wijlen. ‘Wie is daar?’ kraait ze vanuit de verte.

‘Ik,’ zegt zijn stem.

Ze schiet in haar rode pumps, snelt naar de voordeur, een verdwaald kaneelstokje tussen haar tanden.

Haar gewaar sluit hij zijn lippen rondom haar specerij en vatten hun tongen vlam.

‘Ik wachtte op je,’ zegt zij, ‘de douchekop is verkalkt.’

Leven! (2)

Zij was er niet op bedacht geweest dat hij zo snel wilde wederkeren. Na gestoethaspel met agenda’s en zij eerst naar de pedicure, manicure en haar ‘salon de coiffure’ wilde, werd voor een datum gekozen.

Hij kwam van ver en laat in de middag. In stille afwachting had zij er enige Negroni’s ingeflikkerd en een sjaaltje omgedaan zodat haar halsrimpels niet zichtbaar waren.

Flammenkuchen maakte ze voor hem klaar die hij met harige vingers in stukken scheurde en verdronk in slokken Prosecco.

‘Wil je soms eerst onder de douche?’ vroeg zij. ‘Leg dan wel de douchekop normaal terug.’

Leven! (4)

Het is haar een doorn in het oog dat hij bij aankomst eerst koffie wil. Het is altijd hetzelfde liedje. Hij laat zijn lepeltje tijdens het drinken in het kopje staan en zij vreest met grote vreze dat hij hierdoor zijn oogballen te gronde richt.

‘Jeezes,’ snerpt zij, ‘ben je nu zo zat met dat eeuwige lepeltje, roer maar met je vingers!’ In één haal haalt zij het lepeltje uit zijn kopje en laat een bloederig spoor op zijn wang achter. Hij krimpt lichtelijk ineen en toont een gekwetste blik. ‘Ik kan toch ook niet weten dat jij komt voordat ik mijn nagels vijl?’

‘Geef hier dat lepeltje,’ zegt hij dan heel mannelijk, ‘ik ga er de kalk in de douchekop mee wegschrapen.’


Leven! (5)

Ze voelt een steek in haar hart voor deze man die van ver komt en nu een bloedwang heeft. ‘Wacht nog even.’

Zij bukt zich voor de koelkast en haalt er een schaaltje olijven uit met naar wilde peper ruikende basilicum. Pardoes voelt zij harige handen rond haar hals en zijn neus in haar kruin. Zij gilt het uit en doordat zij zich jachtig omdraait, spatten de olijven tegen zijn smetteloos gestreken overhemd aan. Zelfs zijn kruis is met olijfvet besmet.

‘Sorry,’ weifelt ze, ‘heb ik al sorry gezegd,’ en schikt haar sjaaltje. ‘Nu je toch zo vies bent, is het niet beter dat je de douchekop gaat repareren?’


Leven! (7)

Waarna hij vertrekt.
Niet voordat hij de voordeur links wil openen terwijl de deurklink rechts zit.

De douchekop drupt, de voordeur slaat dicht, een motor start. En zij … zij slikt de olijvendrab door, draait in de rondte op haar belachelijk kleine schoenen en bevrijdt zich van haar sjaaltje.

Een door haar gehate spiegel weerkaatst haar halsrimpels. Zij zijgt ineen, laat zich gaan, hete druppels overstromen haar wangen.

Lange, lange uren later laat hij vanuit zijn buitenland van zich horen. Hij is goed aangekomen. Zij snikt er nog wat onhoorbaar op los.

Hij komt weer weerom, zegt hij.

Leven! (6)

‘Ik heb niet zoveel tijd,’ zegt hij, ‘ik moet er weer op tijd vandoor.’ Met afgrijzen kijkt zij naar zijn horloge waar hij om de zoveel minuten op kijkt.

‘Wat is tijd in godsnaam,’ krijt zij. ‘Wat heb ik trouwens met jouw tijd te maken? Tijd is relatief, ja! Ga jij mij nu zeggen dat jij geen tijd hebt om mijn vintage douchekop te repareren?’

Hij plukt een overgebleven olijf van het schaaltje af, kauwt er bedachtzaam op, brengt zijn lippen dicht bij de hare, opent ze met zijn tong en spuugt vol de uitgekauwde restanten in haar mond. 

Leven! (8)

De weken glijden voorbij, de een nog langer dan de andere. Nergens kan zij zich aan vastklampen, behalve aan haar douchekop.

Hij stuurt haar technische verhandelingen over betonmolens, het aanmaken van specie, het voegen van zijn gevel. Geen doddig woordje weet zij te ontwaren. Steeds strakker trekt zij haar sjaaltje aan.

Tot hij op een dag zegt: ‘Zullen we bellen?’ Nu weet zij dat iedereen elkaar de hele dag belt, maar hij? En zij?

Trillend zit zij klaar op haar Lloyd Loom-stoeltje. ‘Hoi,’ zegt hij, ze haat dat woord. Zijn ‘hoi’ evenwel vreet zich door haar oorschelp heen naar onderen.



Leven! (9)

‘Ja, ook goedemiddag,’ zegt zij en moet plotsklaps vreselijk plassen. Wat nu? Zij huivert bij het onzalige idee dat hij haar zou kunnen horen sassen en overweegt een seconde haar bakelieten telefoon uit de muur te trekken.

‘Waarom praat je zo afgemeten,’ zegt hij. ‘Nu laat ik mijn troffel even los en dan krijg ik dit?’ Zij verbijt zich en voelt een eerste druppel haar dijen bespringen.

‘Hoe maak je het, zo in het buitenland,’ krijgt zij eruit.
‘Als jij zo doorgaat, kun je het heen en weer krijgen met je douchekop. Ik was van plan over eenentwintig dagen te komen.’

‘O,’ tjilpt zij, ‘zal ik waterzooi klaarmaken?’


Leven! (11)

‘Ik wil geen koffie,’ hijgt hij, ‘en ook geen waterzooi, ik wil jou.’

Ontredderd zegt zij: ‘Toch wel met mijn sjaaltje hoop ik, en de douchekop dan?’

‘Antiboeiend,’ brult hij en zet haar op de pitten van het gasfornuis. Van schrik slaat zij met haar rode pumps een gat in een naastgelegen kast. Zijn goddelijke lippen naderen de hare en zij grijpt naast zich; naar een schaaltje met romige soesjes. Als hij zijn mond opent, plet zij een bepoederd gevalletje tegen zijn huig.

Hij slikt, verzaligd, en vraagt haar hoe zij weet dat hij van zoet houdt.

Leven! (10)

Op de betegelde wand, achter de sippende douchekop, schrijft zij met lippenstift de cijfers een tot en met 21. Iedere morgen streept zij er één met een kohlpotlood in willekeurige volgorde door.

Op een dag zijn er nog tien cijfers over en begint zij op haar vingers af te tellen. Twee volle handjes tot op de vooravond van nul.

Op dé dag komt er om vijftien uur dertien een klinker door haar ruiten.

‘Heb je nog steeds de bel niet laten repareren,’ schuttert hij door de scherven heen.

Wankelend doet zij de voordeur open. Stoer tilt hij haar omhoog.

Leven! (12)

Zij zet het op een ongegeneerd huilen.

Haar mascara druipt door de dikke droppels, trekt zwarte sporen in haar zorgvuldig aangebrachte make-up.

‘Maar schat toch,’ zegt hij verlegen en vangt de ergste ravage met de punten van haar sjaaltje op. ‘Is het de douchekop die je dwarszit?’

Zij haalt met beide vuisten uit en roffelt op zijn borst. Lang laat hij het niet toe en neemt haar polsen in een bankschroef.

‘Je doet me pijn,’ schreeuwt ze en schopt tegen zijn schenen met haar belachelijke kleine rode pumps.

Zijn zachtgroene ogen haken in haar felblauwe. Zijn tong is roze.



Leven! (13)

‘Ik was ziek,’ sipt ze, ‘ziek van verlangen. Ik zag je over de badrand hangen, samen waterdruppels vangen.’

Zijn ogen lichten melancholisch op.
‘Je doet me aan mijn jeugd denken, toen ik op stekelbaarsjes viste, door het water waadde …’

In de badkamer trekt zij de knoopjes van zijn smetteloze overhemd af. Als hij zich halfbloot op zijn knieën vooroverbuigt naar de douchekop, zegt zij even weg te gaan.

‘Ben je er weer,’ vraagt hij verlangend.
Zij boort scherpe nagels in zijn venuskuiltjes en smeert er een laag krioelende bloedzuigers overheen.

‘Je hebt me net te lang laten wachten.’


Leven! (15)

Ademloos ondergaat zij zijn liefkozing, hoort zijn adem in haar oren bruisen, zijn stamelwoordjes. Vervoering vervlecht zich.

‘Mijn lichaam is vermoeid, mijn geest is beproefd.’

‘Ik weet van je littekens, kijk eens naar mijn gebroken en kromgegroeide vingers. Ik streel ze weg, de zichtbare als de onzichtbare.’

Haar overvalt een duizelingwekkende hoestbui, teder trekt hij haar naar zich toe.

‘Kom, kom tussen mijn benen zitten, leg je hoofd tegen mijn borst.’

Zij voelt zijn sterke armen om haar heen en vindt een nooit gekende rust. Als zij stilvalt, leert hij haar, hun lippen hermetisch opeen, samen adem te halen.

Leven! (14)

‘Ach,’ chargeert hij, ‘die zogen zich ook vast aan mijn melkwitte benen toen ik als kind door de beek banjerde.’

Zij vindt zijn gedrag magnifiek, stoer, scheurt het doosje van een nieuwe voedende nachtcrème door. Met een harde kant schraapt zij de bloedzuigers uit zijn kuiltjes, kegelt ze in het toilet, spuit het gefriemel vol met chloor en trekt door.

‘En nu?’ weifelt zij.

‘Schat,’ zegt hij, ‘ik ga je waus kussen.’

Nerveus herschikt zij haar sjaaltje. ‘En de douchekop dan?’

Hij hoort haar niet, verbergt zijn neus in haar stuivende haar en zegt dat zij naar klaprozen ruikt.

Leven! (16)

Niets doet er meer toe.

Woorden zoals bloedsporen of bloedzuigers, buitenland, douchekop, lepeltjes, tijd, verlangen of waterzooi worden volstrekt irrelevant.
Zij worden meegevoerd op de eeuwige wind die zij samen in- en uitademen.

In haar ogen leest hij verhalen die zij nooit gaat vertellen. In zijn ogen leest zij over de essence van stekelbaarsjes, van door mortel gestutte gevels.

Hij strijkt over haar strogele kruin, wil met haar in een hooimijt liggen. Zij denkt aan de geur van gemaaid gras en wil klaprozen voor hem plukken. Of paardenbloemen die eenmaal wit zij weg kan blazen.

Zij wandelen, hand in hand, over de resten van vergane levens.


Leven! (17)

Zij neemt hem mee naar onder de watertoren, waar zij als kinderen speelden.

Waar zij een dood gevonden vogeltje wilde begraven en hij met zijn grote handen een grafje in de aarde maakte. Waar zij huilde en hij haar troostte. Hij haalde korstjes van haar neus, terwijl zij zich tegen zijn schonkige knieën schurkte, zij viel altijd en overal.

Hij was verlegen toen, heel verlegen. Hij gaf er de voorkeur aan alleen langs de waterkant te zitten, vissend op zijn stekelbaarsjes. Dan kwam ze naar hem toe met een parasolletje en legde een krans madeliefjes op zijn warse haren.


Leven! (19)

Weken later stuurt hij haar vanuit den vreemde een envelop. Op de postzegel staat ‘prior’, een man met een houterig hoofd en ‘Europa’. In de door een machine aangebrachte adressering is haar naam verhaspeld.

Zij grijpt naar haar nagelvijl en ritst de envelop zachtjes open. Er stijgen wolkjes uit op. Verbijsterd beschouwt zij het gebeuren; het is niet één wolkje, het zijn er drie. 

Eenmaal bij machte de envelop om te draaien, valt er tabak uit, een geperforeerd sjekkie en een medaille van de O.L. Vrouw van de Wonderdadigen.

‘Een ademtocht van mij,’ schrijft hij op een bijgaand briefje.

Leven! (18)

Een zuigend geluid haalt haar uit de flashback. Met zijn ongedurige lange vingers schrijft hij met een markeerstift woorden op de muur.

‘Wat doe je nu weer, wat moet de huishoudelijke hulp hier wel van denken?’

In rode hanenpoten staat: ‘Wees gezegend, schat.’ Eronder tekent hij een hupsakeetje.

‘En wat moge dat wel zijn?’

‘Een kruisvoetje … of een kusje … zoals je wilt.’

‘Het lijkt eerder op een knapzak, je was van plan weer te gaan?’

Hij ritst het horloge van tafel dat zij eerder had ingevorderd, zij drukt zich tegen hem aan, ruikt mythe in zijn hals.

Leven! (20)

Een huisslak met slijmerige huid, op de kop twee gesteelde ogen, verplaatst zich niet. Het hangt tergend op ooghoogte te wezen als zij uit het raam kijkt. Het is als met de tijd die weigert voorbij te gaan. Ze zet een bordje in het Slaks neer met het dwingende verzoek eens en vooral op te tieften.

Hoe verlangt ze naar hem, hij die het merg uit haar zuigt. Naar zijn oogopslag waarin zich universums ontvouwen.

‘Groet de sterren van me,’ schreef hij in zijn briefje, ‘schommel onder de maan.’

Ze krast over het bureaublad en breekt haar nagels af.



Leven! (21)

In bad vouwt ze zich op tot een bolletje, laat het hete water over haar rug stromen en voelt weer, hoe hij die keer met zijn verhitte vingers Melis op haar rug schreef. Zij had hem al lief onder de watertoren, haar Mattie, waar zij mateloos met elkaar praatten.

Hun woorden kwamen van eeuwen geleden, buitelden, sprongen op, en neer, speelden tikkertje, streelden hun tongen. Zij had hem niet meer gezien nadat zij zijn puberpuistjes open kuste en hij stukjes glas uit haar voeten haalde.

Hoe lang duurt het voordat nagels aangroeien? Hard trapt ze tegen de tartende tijd.


Leven! (23)

Zij teert op haar herinneringen. Voordat het smerig virus hun bevochten tijd besmette.

Uit de vriezer haalde zij een bevroren truffel op rijst die ontdooide in het kommetje van zijn hete handen. Hij had er schoenloos gestaan, in de keuken. Haar godvergeten speelkameraadje.

De morilles gesneden, met zeezout in boter gebakken, gleed de pappardelle in kokend water en raspte hij de truffel. Ongerust roken zij geen goddelijke aardse geur.

Zij raspte de Parmezaanse kaas en haar vingerkootje. De bloeddruppels die lekten likte hij weg.

Aan tafel legde zij het uiteinde van een lintvormige pappardelle in zijn mond en nam de andere kant in de hare.
Langzaam aten zij zich naar elkaar toe, hun ogen vastgeklonken in verleden tijd. 

Leven! (22)

Hij zit in haar, kan ze zichzelf niet omarmen?

De tartende tijd heeft een ander smerig geintje in petto; een geil virus waart door straten, steden en over landgrenzen, graftakken ontkennen dat hun samenzijn levengevend is. Hoe dan ook, hij is niet bij machte te komen.

Haar grenzen zijn bereikt, haar huid is contactarm geworden. Zij staart naar haar handen en armen waar greppels in vallen. De olie die zij aanbrengt, van argan en olijf uit wonderbomen, glijdt lusteloos langs haar gleuven nu zij niet meer van binnenuit wordt gevoed.

Zij steekt de zoveelste sigaret op, trekt hard aan haar sjaaltje en denkt aan volle glazen whiskey.

Leven! (24)

De volgende dreinende brieven van de bank waaien door haar brievenbus. Zij pakt haar post met latex handschoenen op, opent de vuilnisstortkoker en trekt haar hand in twijfel terug. Aan een brief zit een kaart geplakt waarop de Heilige Maria staat afgebeeld.

‘Dat moet hij zijn!’gilt ze in de stilte die haar omringt.

Voorzichtig weekt ze de kaart los, draait hem om en leest: ‘Zij hijgt, zij krijgt.’ Perplex plet ze de kaart tegen haar borst.

De dagen erna volgen meer kaarten. Erop staat: ‘Hij zuivert, zij huivert.’

En: ‘Hij leeft, hij geeft.’

Van de kaart waarop staat: ‘Hij streelt, zij krabt,’ moet zij snikken.



Leven! (25)

De tijden raken vernietigend leeg, zij is moedeloos en tekent tranen op de beslagen badkamerspiegel. De druppende douchekop bracht zij om met een hamer.

Er zijn geen dagen meer om af te tellen; zij scherpt haar nagels aan het afbrokkelende pleisterwerk op de muren.

Op de laatste kaart die zij eeuwen geleden ontving stond: ‘Hoe verloren je je kunt voelen, vergeet niet dat ik je gevonden heb.’

‘Waar dan?’ weeklaagt zij.

Zij wil vluchten van haar muren, van zijn afwezigheid, niet weer gaat zij met haar kohlpotlood tralies tekenen, onwillekeurig waar.

Op het punt van vertrek klapwiegt haar brievenbus, een kaart valt naar binnen.
Op de voorkant staat een windmolentje en op de achterkant: ‘Vlucht niet, weet je gekoesterd, beschermd, in veiligheid.’


Leven! (27)

De kaarten gaan over in enveloppen die hij met de tong bevochtigt.

Zij opent ze achter haar raam, lijzig als de trage slijmspoor trekkende slak. Murw geslagen door de onzichtbare virusvijand en de ijstijd die verglijdt.

Hij houdt niet van karakollen, schrijft hij, maar om haar ter wille te zijn, zou hij ze, gekookt in een kruidige bouillon met knoflook, opslurpen uit de schelp.

Haar schaterlach klinkt op, het pleisterwerk lijkt blij en ze rent naar buiten, vindt een bezem waarmee ze de slak van de muur wipt en hoog door het zwerk laat zeilen.

Hups leest zij verder.

Leven! (26)

Ongenaakbaar had zij zich opgesteld, geen man à debacle kwam haar leven nog binnen. Wel stuurde zij nostalgisch, wonderbaarlijke verhalen de wereld in. Over mannen en woeste reizen.

Het was dat zij hem las. En hij haar las.

Een fragiele draad ontspon zich die hij verbrak om achter zijn gevoegde gevel te kunnen blijven. Mos, hij woonde aan de kust, overwoekerde zijn voorzijde en sloeg vervolgens op hem los. Hij vegeteerde groene jaren voordat hij weer van zich liet horen.

Hij las haar weer en kwam schuchter nader.

‘Hoi,’ zei hij met een aangeblazen h, ‘ken je me nog?’

‘Ja, jij bent de jongen van onder de watertoren, Mattie.’

Leven! (28)

Hij schrijft dat zijn land hem nog langer ophokt achter zijn gevoegde gevel. Er komen weken en weken bij. Zijn hanenpoten lezend krimpt zij ineen, hete tranen bevlekken de tijd waarover hij spreekt.

Zij heeft geen tijd meer, zij heeft nooit tijd gehad. Mannen gaven haar horloges die zij niet droeg. Zij gaven haar zelfs horloges met inscripties. Met namen van hun buitengewone etablissementen of een datum waarop zij van haar hielden.

Haar resteert nog één horloge in een verder volkomen leeg bijouteriekistje. Van een man die naast haar knielde en ‘It’s wonderful’ van Paolo Conte door zijn verdere lege restaurant liet klinken. Hij werd vermoord.

Roerige cijfers verraden hoge bezoekersaantallen.

Wie verrast mij door een bericht te sturen?

Lees vooral verder!


Leven! (29)

Alsof hij haar zielenroerselen van verre voelt, schrijft hij in de brief die vervolgens komt over bloed. Over kelen die hij doorsneed, over verschillende kleuren en geuren die gaan van robijn- naar steigerend rood, van romig vet naar bitter en opstandig.

Hij zag de dood zoals de knielende man zag die haar een horloge gaf.

Bloed, door morsen verloren, stinkt, bederft, wordt zwart als de hel. Of het nu stroomt, spuit of druipt.

Zij denkt aan het bloed dat zij achterliet in andere levens. Van menstruatiebloed op metro- of galastoelen, op hoogpolige tapijten waar ander bloed, eenmaal geronnen, op naglansde.


Leven! (31)

Pollen waren hand in hand met het geile virus door de straten.

Het laatste houdt zij van zich af door meestal achter de ramen te blijven, de pollen edoch bespringen haar door gaten en kieren.

Naast de vervloekte pollen zijn er de huisstofmijtuitwerpselen waardoor ze zich hoestend en niezend een weg zoekt door haar allenige leven.

Ze raakt uitgeput, haar blauwe ogen branden, tranen, gesprongen bloedvaatjes maken ze rood. Uit haar neus loopt spontaan tergend liederlijk snot.

Mocht zij al op straat gaan met haar sjaaltje strak over haar neus en mond gebonden om aan een blikje bruine bonen te komen en zij een onverhoedse hoestbui krijgt, worden Kalasjnikovs ontgrendeld.

Alsof de eerder toegeworpen vuile blikken haar al niet hadden gedood.

Leven! (30)

‘We moeten ons bloed samenvoegen,’ zei hij doodernstig en hield haar een ordinaire naainaald voor.

Zij zocht zijn blik. ‘Ik dacht dat jij niet van bloed hield?’

‘Het bloed is de zetel van de ziel, laten we er een canapé van maken.’ Glimlachend dreef hij de naald in zijn middelvinger.

‘Doet het pijn?’ vroeg zij in een opwelling kwetsbaar te willen overkomen en dacht aan een tekst die zij schreef met als titel: ‘Pijn is fijn en bloed dat moet’.

‘Ik tel tot drie,’ en bij één stak hij de naald in haar voorgehouden ringvinger waaraan ze de voorkeur gaf boven haar middelvinger.

Te verrast om pijn te voelen keek ze toe hoe hij hun vingertoppen tegen elkaar hield en de twee opgewelde robijnrode pareltjes een werden. Vervoerd voelde zij een warme gloed door zich heen trekken.

‘En nu wil ik koffie.’

‘Jij en je eeuwige …’ Een kus smoorde haar verdere woorden.

Leven! (32)

Iedere dag lijkt op de volgende dag of de vorige dag. Zij hoest ’s nachts in het rond, zij hoest overdag in het rond en haar snot wil ze ternauwernood nog opvangen.

In een incidentele brief die ze terugstuurt, schopt ze tegen hem aan. Hij komt toch nooit meer, opgekot achter zijn van nieuwe specie voorziene gevel? Zij vermoedt dat hij geraniums achter het raam heeft staan en dat de gordijnen groen geblokt zijn. Zij beëindigt haar brief en zegt: ‘Krijg de takke’ en vindt dit nog een beschaafde uitdrukking gezien haar geestesgesteldheid.

Hij antwoordt: ‘Al de zinnen die ik je schrijf, verbleken bij jouw ‘krijg de takke’. Zijn mijn woorden soms rumoerige lucht, zwarte tekens op zielloos wit papier? Schiet ik tekort?’

Leven! (33)

Zij doet er het stilzwijgen toe. Zij heeft geen vat meer op de tijd, niet op hem en weet ternauwernood meer hoe de dagen van de week zich noemen.

Op een avond beieren klokken. Haar achterdeur gaat, zonder dat de wind ermee speelt, wijd open. Haar betovergrootvader, een Joodse diamantslijper uit Amsterdam, komt binnen.

‘Kalle, mijn volk is en wordt vermoord. En immer gehaat. Jij bent een van mijn loten.’ Zij pakt zijn dooraderde hand en legt hem gelaten tegen haar wang.

‘Hij zal komen, ook uit as groeien weer bloemen.’

Een gordijn dat beweegt, een lichtvlek die passeert, hij heeft zich omgekeerd.


Leven! (35)

Hij kwam op een vrijdag, ergens in een maand, van
het jaartal was zij niet zeker. De uren die zij in een
wolkbreuk doorbrachten, waren van een verscheurende in te halen verbondenheid.

Hij ging.

Hun huidhonger, niet gestild, werd een huidherinnering naarmate het grijze wederzijdse bestaan hen weer aanvrat.

Zij wankelde.

Hij schreef dat hij de maan en de sterren vervloekte om hun onverschilligheid. De tijd drong, jaagde hem op. Hij wilde haar zoveel geven.

Zij las hem en ontstak een kaars. Zijn bloed liep door haar aderen, haar hart klopte op zijn ritme, hij zat voor altijd onder haar huid.

Leven! (34)

‘Ik geloof nergens meer in,’ gilt ze hem na.

De onbezielde stilte van niet te volgen levenloze weken valt weer in.

Op de grond liggen pistacheschillen, olijfpitten, een verdwaald sjaaltje, schilfers hout van het geschopte keukenkastje, wijnkurken, aardbeienkroontjes, een sliert pappardelle, tabaksgruis en wisselvalligheid.

Het zal ongetwijfeld een reden hebben, denkt zij, en zoekt haar weg erdoorheen.

De stilte scheurt door de overgaande telefoon.

‘Allo,’ zegt zij.
‘Hallo,’ zegt hij.
‘Waarom zeg je geen “hoi”’, vraagt zij.

Zijn ademhaling ruist zoals het suizen van rozenkranskralen langs jachtige vingers.

‘Alles zal zijn wat nog komen zal. Ik herinner mij jouw huid weer.’