Het meisje met de spillebeentjes

 

Ze was van huis weggelopen toen mamma haar gouden lokken wilde knippen en nu balanceerde ze op een paars geschilderd parkeerdek op mamma’s rode pumps.

 

‘Mijn meisje,’ had mamma ooit gezegd toen zij haar haren borstelde en er kunstbloemen doorheen weefde die zij altijd droeg.

 

Mamma was vaak niet thuis, vooral ’s nachts. Dan moest ze werken, zei ze. Zij vergat macaroni met kaas klaar te maken hoe vaak en lief ze het ook op een briefje vroeg. Het meisje at likkaakjes en dronk water uit de kraan.

 

Het buurjongetje met wie ze wel eens speelde zei dat ze gekke beentjes had. Als ze van de trap viel zag mamma haar gekneusde enkels niet. De kinderen van de galerij riepen ‘brekebeen’, maar dat hoorde mamma niet als zij sliep.

 

Vanmorgen was mamma vroeg haar kamer binnengekomen. Bloed liep over haar gezicht en op haar hoofd zaten kale plekken.

 

‘Je haar,’ zei ze, ‘ik heb je haar nodig.’ In haar hand hield ze de keukenschaar. Tussen haar benen en op mamma’s pumps was ze naar buiten gestuiterd.

 

Op het paarse parkeerdek trok ze aan de draden van haar rokje en haar trui die steeds korter werden. De rafels bood ze aan voor een likkaakje. Geen voorbijganger keek haar aan.

 

De volgende morgen werd ze koud aangetroffen, in een hoekje op haar spillebeentjes die afbraken toen ze werd opgetild. Er werd gefluisterd dat ze altijd al een brekebeentje was geweest.

 

De hemel gloeide dieporanje voor het meisje. Zij voelde zijn saluut niet.

 

mili

schrijft

© Judith Zijtregtop