I – Piet

 

Zelden komt hij van zijn buitenbankje af. Laatst stond hij zomaar op de hoek van mijn straat, met zijn aardappelhoofd turend in de verte. Het voelde alsof hij oprukte.

 

Als ik door zijn straat en langs hem loop, is hij altijd hoegenaamd bloot. Door weer en wind zijn zijn broekspijpen opgestroopt en wiegt zijn borsthaar op de luchtstromingen die ik veroorzaak.

 

Zijn blik uit pittenogen brandt eerst mijn borsten in en dan mijn kuiten. Ik weerhoud mij ervan een muntstukje in zijn vlezige vooruitgeschoven onderlip te schuiven.

 

Ik ben gestopt hem goedemorgen te zeggen. Ik ga een blokje om.

 

II – Mien

 

Mien heeft Piet verdreven die nu verlangend in een duffel achter het raam staat. Zijn vlezige onderlip trekt slijmsporen over het glas.

 

Het buitenbankje staat vol met poppen met harde koppen. Mien kleedt ze aan of uit en smijt ze in een poppenwagen als ze genoeg van ze heeft. Daar sterven ze de poppendood onder een vracht dekentjes.

 

‘Wat een mooie jurk heb je aan,’ zegt ze en komt kantelend van het bankje. Haar dijen klatsen tegen elkander, haar vleesmassa houdt me tegen.

 

Paniek komt op in haar ogen.

‘Ik ben zo bang dat ik een pop heb ingeslikt.’

 

III - Dirk-Jan

 

Het is duidelijk dat Dirk-Jan zich distantieert van het plebs als Piet en Mien. Hij kijkt niet eens naar ze door zijn monocle. Het grauw voelt instinctief aan dat zij moeten wijken wanneer Dirk-Jan plaatsneemt op het bankje.

 

Dicht naast hem staat zijn leren koffer en op het dienblad van zijn rollator een kop koffie. Ernaast ligt een appel en een aardappelschilmesje.

 

‘Ik zag oranje en witte bloemen in Namibië en dook naar oesters met zwarte parels in Frans-Polynesië,’ zegt hij tegen niemand.

 

Het hoofd gebogen onder zijn gleufhoed maakt hij met zijn mesje stekende bewegingen naar roekeloze passanten.

 

IV – Romana

Rusteloos rijgt ze hartenkralen aan een elastiekje, altijd met haar benen wijd gespreid. De zondag is het bankje van haar en haar missaal waaruit zij luid citeert als zij geen armbandjes maakt. Voor haar voeten liggen ijspapiertjes.

 

‘Kopûh?’ vraagt ze gleyig aan iedere man die voorbijkomt, vrouwen negeert ze straal.

‘Ik wil met de boot naar Suriname!’

 

Laatst was ze er met de aardappelhoofdman vandoor gegaan die haar een bootkaartje had beloofd. Ze werd teruggevonden in de Scheveningse bosjes, haar veelkleurige rokken opgetrokken, haar blik gelukzalig.

mili

schrijft

   Ambilicious studio